Ik ben Gerrit Holl, geboren op 13 augustus 1985 en ik ben toen ik 7 jaar oud was gediagnosticeerd met het syndroom von Asperger, een vorm van autisme. Ik heb daar toen ik 14 was en van middelbare school veranderde een verhaal over geschreven. Dat heb ik aan een aantal docenten laten lezen omdat ik zo meer begrip hoopte te verkrijgen. Dat was in 1999. Nu is het 2003 en ben ik begonnen aan een studie Technische Natuurkunde, en heb ik het volledig herschreven. De eerste versie van het verhaal is op verzoek te verkrijgen (ik heb het van internet gehaald omdat het telkens hoog in de zoekresultaten kwam, en mensen direct via het oude verhaal op de site bleken te komen). Dit stuk is gebaseerd op gids voor leraren, geschreven in 1995 door Karen Williams (University of Michigan). Deze gids is hier te vinden. De Nederlandse vertaling staat hier online. In die gids staan zeven hoofdstukken met elk twee delen (plus een inleiding): een alinea waarin een kenmerk van Asperger beschreven wordt en één waarin instructies worden gegeven voor een school om hiermee om te gaan. Deze maatregelen zijn niet mogelijk voor een normale school. Voorbeelden van dingen die worden voorgesteld, zijn een aparte gymles, apart huiswerk en een ruimte waar de leerling wanneer het nodig is kan 'uitrazen'. Dat kan bij speciaal onderwijs (zie hoofdstuk 8 wel, maar niet op een normale school. Deze delen heb ik er uit gehaald en vervangen door mijn eigen ervaringen met betrekking tot het beschreven kenmerk. Alle eerste delen van de hoofdstukken zijn niet door mij geschreven, alle tweede delen wel. Meer over mijn ervaringen met het Asperger Syndroom en een printbare versie van dit artikel kan hier gevonden worden. Wie wil reageren kan me een email sturen
Volharding op hetzelfde
Kinderen met het Asperger Syndroom worden gemakkelijk overstelpt door de kleinste verandering; zijn heel erg gevoelig voor spanningen in de omgeving; soms houden ze zich bezig met een reeks van steeds dezelfde handelingen (rituelen). Ze zijn angstig en neigen ernaar zich bezorgd te maken door steeds dezelfde (dwangmatige) gedachten te hebben wanneer ze niet weten wat er te verwachten is. Spanningen, vermoeidheid en een overvloed van zintuiglijke waarnemingen brengt hun gemakkelijk uit balans.
Mijn ervaringen
Ik doe dingen zoveel mogelijk dagelijks hetzelfde. Ik neem bijvoorbeeld altijd hetzelfde op brood (vache-qui-rit, een soort smeerkaas). Als de krant anders is ingedeeld dan normaal, dan vind ik dat vaak erg vervelend. Ik probeer na een grote verandering altijd zo snel mogelijk tot dagelijkse schema's te komen, omdat ik anders erg onzeker ben.
Een vrij extreem schema wat ik vroeger (1998) had, toen ik nog op het Vossius Gymnasium zat, was wanneer ik thuiskwam uit school. Ik zette dan mijn fiets onder een hoek van ongeveer 60 graden met de openslaande kant van de garagedeur, deed de garagedeur open, draaide mijn fiets linksom om en reed achteruit de garage in. Ik zette vervolgens mijn fiets tegen de muur, met het stuur half achter de fietsendrager. Vervolgens haalde ik mijn zware tas van de bagagedrager en liep ik naar de kamer. Ik kwam dan eerst langs de koelkast, waar ik de melk en de boter uit haalde, en vervolgens langs de kast waar de ontbijtkoek in zit, die ik dan naast de melk en de boter zette. Daarna liep ik door naar de kamer en zette mijn rugzak op de rode stoel met de rug naar naar rugleuning van de stoel toe. Ik liet dan de computer online gaan zodat hij e-mail begon op te halen, en liep door naar de WC, terwijl ik alle tijdschriften die mijn zus daar soms mee naar toe nam ervandaan haalde en op de deurmat legde. Voordat ik de WC-deur open hing ik mijn jas aan het tweede haakje van rechts van de kapstok, tenzij uiterst rechts een rugzak hing, dan hing ik het aan het derde haakje van rechts. Na mijn WC-bezoek (de details hiervan heb ik besloten achterwege te laten maar ze bestaan wel) liep ik terug naar de keuken, terwijl ik onderweg een mes, een bord en een beker uithaalde, die ik bij de andere spullen neerleg. Ik pak dan vier plakken ontbijtkoek uit de rechterkant van de trommel en sla ze in twee stappen open (het omgekeerde van twee keer een vouwblaadje dubbelvouwen). Vervolgens open ik de boter en schraap de boter over het oppervlak eraf (het oppervlak laat ik altijd egaal blijven zodat alleen de hoek met de bodem langzaam verandert)... dit schema gaat nog verder met het opeten van de koek en het lezen van tijdschriften afhankelijk van het moment in de maand, maar de rest schrijf ik niet op.
Ik kan in het geheel niet tegen een 'overvloed aan zintuiglijke waarnemingen'. Ik heb een hekel aan hard geluid, aan de meeste muziek, ik lus relatief weinig eten (terwijl ik vegetarisch ben), aan grote groepen mensen, aan veel geuren en vooral aan een combinatie hiervan: waar rook, duisternis, herrie en drukte samenkomen is voor mij de hel op aarde, dus ga ik nooit van mijn leven uit. Ik ben wel eens naar een bioscoop geweest maar voel veel meer voor het zien van een goede film op televisie (die zijn zeer zeldzaam). De grootste kwelling die ik in mijn bewuste leven ooit heb meegemaakt, was de laatste avond op een werkweek in 2001. Ik zat toen in 5VWO. Dit wordt hier. beschreven. Overigens is ook de rest van dat verhaal lezenswaardig. Het bevat veel voorbeelden over hoe de dagelijkse omgangsvormen zijn voor een Asperger. Ik ben van plan meer van dat soort verhalen te gaan schrijven.
Zwakke sociale interacties
Kinderen met het Asperger Syndroom zijn niet (voldoende) in staat de ingewikkelde regels van sociale interactie te begrijpen; ze zijn naïef; ze zijn heel erg op zichzelf gericht; ze hebben mogelijk een hekel aan lichamelijk contact; ze praten tegen iemand maar niet met iemand; ze begrijpen grapjes, ironie en metaforen niet; hun stem is onnatuurlijk, monotoon of hoogdravend; hun gelaatsuitdrukking en lichaamstaal is niet passend; ze zijn ongevoelig (voor anderen) en missen tact; ze vatten sociale wenken verkeerd op; ze kunnen sociale afstand niet goed beoordelen (tegen een vreemde gedraag je je anders dan tegen je ouders); ze zijn slecht in staat om een gesprek te beginnen of in stand te houden; hun spraak is goed ontwikkeld, maar hun vermogen om te communiceren is slecht; ze krijgen soms het etiket "kleine professor" omdat hun stijl van spreken zo volwassen en verwaand (pedant) lijkt; er is gemakkelijk misbruik van hen te maken (ze merken niet dat anderen soms tegen hen liegen of hen bedriegen); meestal willen ze graag deel uitmaken van de sociale wereld.
Mijn ervaringen
Ik begrijp bijna niets van de ingewikkelde regels van sociale interactie. Veel non-verbale communicatie gaat aan mij voorbij. Ik weet uit schriftelijke bronnen dat er vooral onder pubers en adolescenten zeer veel non-verbale sociale interactie plaatsvindt. Ik merk daar niets van, dus kan ik concluderen dat er zeer veel aan mij voorbij gaat.
Ik ben in het verleden wel gepest maar op dit moment gebeurt dat niet. In de loop van de tijd heeft er een selectie plaatsgevonden: op de basisschool zaten alle klojo's nog bij me in de klas, maar die blijken ondervertegenwoordigd onder hogeropgeleiden (waarbij ik beta voor het gemak boven gamma plaats), waardoor ik in de loop van 15 jaar onderwijs in een steeds prettiger omgeving kwam te zitten: eerst ging VMBO en HAVO eraf, later de mensen die te dom zijn voor VWO (of erger: te lui), later de mensen die uit geldzucht een gamma-profiel kiezen zodat aan het eind van de middelbare school alleen serieuze mensen overblijven. Zoals verwacht zet deze ontwikkeling voort nu ik Technische Natuurkunde studeer aan de Universiteit Twente.
Vroeger begreep ik bijna niets van ironie, sarcasme en metaforen. Op de basisschool heb ik een keer een opmerking van een juf letterlijk genomen, die "harder, harder" riep toen ik een klasgenoot sloeg (we hadden ruzie). Metaforen, hyperbolen, dysfemismen en andere stijlmiddelen heb ik geleerd te herkennen, maar in het mondeling gebruik heb ik daar moeite mee.
Ik heb nog steeds veel moeite met het onderscheiden van spreektaal en schrijftaal. Ik had relatief vroeg een grote vocabulaire, waardoor ik soms termen als "professor" naar mijn hoofd geslingerd kreeg. Tegenwoordig heb ik daar minder last van, maar ik weet niet of dat ligt aan mij of aan mijn omgeving. Ik vermoed het tweede. Mijn stem is op zich niet onnatuurlijk, maar de intonatie komt soms niet overeen met mijn emotie, waardoor mensen soms ten onrechte denken dat ik boos of verdrietig ben.
Ik kan absoluut niet toneelspelen maar wel voorlezen. Ik kan redelijk goed sociale afstand beoordelen maar ben slecht in het houden van praatjes. Ook vind ik het moeilijk als ik mensen op meer manieren ken: als de persoon achter de balie bij de bakker een klasgenoot van me is, weet ik niet goed hoe ik me op moet stellen.
Ik merk het soms niet als mensen tegen me liegen of een grap maken, en daar heb ik ook wel eens last van. In de tweede klas (1998) stond er eens op het bord bij het vierde uur vrij, maar bij het vijfde uur niet. Als we het vijfde uur ook vrij hadden gehad had daar ook vrij moeten staan, maar dat stond er niet. Een jongen uit mijn klas zei dat we vrij hadden, en omdat dat op het bord stond geloofde ik dat. Toen ik mijn tas op mijn fiets deed kwam iemand anders uit mijn klas aanhollen om te zeggen dat we helemaal geen vrij hadden maar dat er een foutje op het bord stond. Alle 31 andere kinderen waren gebleven, dus niemand geloofde werkelijk dat we vrij hadden.
Ik vind het bijzonder moeilijk om te weten wat ik terug moet zeggen als iemand iets tegen mij zegt. Een keer at ik in de mensa (studentenrestaurant) en kwam er een jongen tegenover mij zitten. Zijn gezicht kwam me vaag bekend voor, maar ik kon hem niet thuisbrengen. Toen hij zonder zich voor te stellen aan me vroeg hoe Calculus (wiskundevak) bij mij gegaan was, raakte ik van binnen in paniek. Moet ik deze jongen kennen? Is hij een werkcollegegroep van mij? Woont hij bij mij op de verdieping? Ik concludeerde dat ik heel dom bezig was. Ik durfde absoluut niet te vragen wie hij was, uit angst voor een afgang. Ik heb me wel eens vaker voorgesteld aan mensen die ik al jaren zou moeten kennen, dat was vreselijk. Maar nu stelde hij dus een vraag. Hoe was m'n calculus gegaan. Wat moet ik nu antwoorden? Ik besluit om het naar waarheid te antwoorden, en zeg dat het wel redelijk gegaan was. Heb ik het goede antwoord gegeven? Ik kom het nooit te weten. Nog steeds ben in in paniek. Moet ik hem nu weer een vraag stellen? Ik vraag 'Hoezo?'. Hij dacht dat ik er heel goed in was, want hij had me gezien bij Calculus. Oef. Hij heeft me er 'gezien', dus het is geen werkcollegegroepgenoot van me, of een verdiepinggenoot. Maar moet ik toch zijn naam kennen? Heb ik eerder met hem gepraat? Hoe moet dit nou?
Dit soort dingen overkomt me heel vaak. Ik heb het er moeilijk mee. Soms zie ik dat er kennissen van me in de mensa zitten maar sneak ik desalniettemin weg en ga hoog in een hoekje zitten, omdat ik geen behoefte heb aan menselijk contact. Mogelijk wordt dit als vreemd gedrag ervaren.
Beperkt gebied van interesses
Kinderen met het Asperger Syndroom worden helemaal in beslag genomen door zonderlinge bezigheden of zijn soms intens gefixeerd op vreemde bezigheden (soms verzamelen ze dwangmatig ongewone voorwerpen). Ze neigen ernaar "lezingen" te geven over hun speciale interesses zonder daarbij rekening te houden met gevoelens en belangstelling van anderen. Ze vragen steeds maar door over hun interesse. Ze hebben er moeite mee om van een idee af te stappen. Ze volgen hun eigen aandrang los van wat voor eisen aan hun gesteld worden. Soms weigeren ze iets te leren wat buiten hun speciale interessegebied ligt.
Mijn ervaringen
Een extreme interesse van een Asperger heet een fiep. Mijn fieps zijn computers, Zwitserland, Natuurkunde en (topografische) kaarten. Met name waar deze gebieden samenkomen (de Natuurkunde van de digitale Zwitserse kaarten ;) ben ik geinteresseerd. Ook daarbuiten houd ik van nutteloze kennis en weetjes.
Vroeger wilde ik altijd graag computerprogrammeur worden. Dat heeft ongeveer van mijn vierde tot mijn vijftiende geduurd. Daar is verandering in gekomen toen ik een boek over Operating Systems las, en ontdekte dat dat me helemaal niet interesseerde. Ik wilde me met aardsere zaken bezighouden. Ik werd geinteresseerd in de aarde, met name aardwetenschappen. Ik wilde een profielwerkstuk doen over het Aralmeer - het werd verdamping van water. Ruim een jaar heb ik gedacht dat ik aardwetenschappen wilde studeren. In de loop van het jaar daarop ben ik langzaam overgestapt op het idee van Natuurkunde. Ik ben dan ook Technische Natuurkunde gaan studeren aan de Universiteit Twente.
Vooral met betrekking tot geografische dingen wil ik dingen weten die niemand anders wil weten. Ik val anderen regelmatig lastig met feiten daarover: gletsjers in Tadjikistan, fjorden in Alaska en katabatische winden op Antarctica, maar ook de zetelverdeling van het Nederlandse parlement in 1920, positronannihilatie of RFC2369. Ik heb eens (juli 2003) iemand behoorlijk verbaasd met de opmerking dat Diemen naar inwonertal de zevende gemeente van Zwitserland zou zijn - ware het niet dat Diemen in Nederland ligt.
Ik stel ook wel vragen over dingen waarvan ik weet dat het antwoord zeker onbekend is bij de toehoorder, over mijn fieps. Bijvoorbeeld: hoeveel Diemenaren rijden er gemiddeld per week over de Pass dal Güglia (Julierpass). Of: als men het wc-bezoek als functie van de tijd zou meten op een wc op een camping, waarbij het verschil tussen poepen en plassen aan de hand van een grote en kleine knop voor doortrekken wordt bepaald, hoe zou deze functie er dan uitzien, en hoe hangt de vorm en omvang daarvan af van de plaats van de camping, het seizoen en de demografische omstandigheden? Tot mijn verbazing zijn er ook mensen die dit niet zouden willen weten. Mijn ouders willen niet dat ik dit soort vragen stel waar anderen bij zijn. Ook dat begrijp ik niet.
Slechte concentratie
Kinderen met het Asperger Syndroom zijn door interne prikkels snel afgeleid van hun werk. Ze kunnen hun werkzaamheden vaak slecht organiseren. Ze hebben het er moeilijk mee om op de klassenactiviteiten gericht te blijven, meestal is de concentratie niet slecht, maar hun waarneming van de activiteiten is vreemd. De persoon met het Asperger Syndroom kan niet goed nagaan wat relevant is. De aandacht is dan wel eens gericht op prikkels die niet ter zake zijn. Ze neigen ernaar zich in hun eigen complexe wereld terug te trekken op een veel intensere manier dan het typische dagdromen. Ze hebben er moeite mee om in een groepssituatie te leren.
Mijn ervaringen
Ik organiseerde mijn huiswerk altijd heel goed en ik hield me dan ook aan mijn planning. Maar als ik echt iets moet leren heb ik absolute stilte nodig. Als er muziek op de achtergrond is dan kan ik me in het geheel niet concentreren, dat vind ik vreselijk. Ik zet ook m'n computer uit als ik me echt wil kunnen concentreren, doe het raam dicht, soms oordopjes in, anders lukt het absoluut niet.
Toen ik klein was (een jaar of zes, zeven) had ik een eigen fantasiewereld. In die wereld had ik een heleboel baby's (zo'n 75) van 2 tot 3 cm groot, en ze hadden bijna allemaal een naam. Crachyou, Topjaklont, en nog veel meer van dat soort namen. Het waren eigenlijk meer mini-mensjes dan dat het baby's waren. Een paar jaar later schreef ik wel eens verhalen waar deze personen samen met figuren uit Commander Keen in voorkwamen. Die verhalen maakte ik echter nooit af, na twee of drie kantjes kreeg ik er genoeg van.
Ik heb gedurende mijn middelbare schooltijd altijd moeite gehad met leren in een groep. Leren in de betekenis van woordjes stampen kon ik sowieso niet. Bij het maken van Wis- of Natuurkundesommen vind ik samenwerken wel handig, zolang dat inhoudt dat iedereen voor zichzelf werkt waarbij af en toe de antwoorden met elkaar worden vergeleken. Als er dan een verschil is is dat voor beiden leerzaam (zeker over de hele gezien). Ik vind het vreselijk om een groepsopdracht te doen waarbij er geen duidelijke afspraken zijn gemaakt. Als ik niet weet wat mijn rol is in een bepaalde groepsopdracht dan raak ik in paniek. Dan weet ik zeker dat ik te weinig doe (in de praktijk doe ik meestal te veel). Ik erger me sterk aan anderen die hier minder belang aan hechten.
Slechte coördinatie van de bewegingen
Kinderen met het Asperger Syndroom zijn lichamelijk onhandig en lomp; ze lopen onhandig op een soms plechtige manier; ze hebben geen succes in spellen waarin bewegingsvaardigheden een rol spelen; ze ondervinden tekorten in de fijne motoriek dat er de oorzaak van kan zijn dat het handschrift slecht is, het kan hun mogelijkheden om te tekenen aantasten.
Mijn ervaringen
Ik ben motorisch niet erg handig, wat vooral resulteert in een slecht handschrift. Ik heb een paar jaar geleden les gehad in m'n handschrift oefenen. Ook tekenen kan ik niet. Gelukkig had ik op het Vossius een docent die dat opvatte als originaliteit en kon ik toch nog zevens halen :)
Ik heb een bloedhekel aan balsporten als voetbal en basketbal, maar trefbal vind ik juist weer leuk. En hoewel ik een matige conditie heb, kan ik 's zomers toch prima in de bergen wandelen. En ook bij de cooper-test was ik niet eens de slechtste van de jongens van de klas, al wordt dat laatste waarschijnlijk verklaard door het feit dat sommigen van mijn klasgenoten zo stom waren om zichzelf regelmatig te vergiftigen door tabak te roken.
Moeilijkheden op school
Kinderen met het Asperger Syndroom hebben meestal een gemiddeld tot bovengemiddelde intelligentie (speciaal als het op spreken aankomt) maar missen het denken op een hoger niveau en de vaardigheden om zaken te begrijpen. Ze neigen ernaar om alles letterlijk te nemen. De beelden die ze gebruiken zijn concreet en hun abstractievermogen is slecht. Hun pedante (geleerde) manier van spreken en hun indrukwekkende woordenschat, wekken de verkeerde indruk dat ze begrijpen wat ze zeggen. Het kan in werkelijkheid heel goed zijn dat ze alleen maar napraten wat ze hebben gehoord of gelezen. Het kind met het Asperger Syndroom heeft vaak een uitstekend geheugen voor stampwerk. Maar het geheugen is mechanisch. Dat betekent dat het kind kan antwoorden alsof er een band wordt afgedraaid. De gegevens kunnen alleen maar achter elkaar eruit komen. De vaardigheden om problemen op te lossen zijn meestal slecht.
Mijn ervaringen
Ik heb geen leermoeilijkheden op school. Zoals veel Aspergers, ben ik bovengemiddeld intelligent. Ik studeer op dit moment Technische Natuurkunde. Ik heb eindexamen atheneum gedaan met gemiddeld een 7,85 (8 voor Natuurkunde en 8,6 voor Aardrijkskunde), dus zoals de meest Aspergers ben ik bovengemiddeld begaafd in het doen van VWO-eindexamen. Alleen scheikunde ben ik niet goed in (5,6 op centraal examen, 7 op schoolexamen). Mijn volledige eindlijst is hier te vinden.
Mijn woordenschat is niet meer bijzonder bovengemiddeld, en volgens mij begrijp ik prima wat ik zeg. Ik ben als ik net een ongelukkige ervaring heb gehad vrij voorzichtig in praten over dingen die ik niet goed begrijp - vooral omdat ik heb ontdekt dat ik met mijn mening bepaalde mensen (religieuzen) kan kwetsen. Dat was op het Vossius veel minder dan op het PNC. Op de universiteit blijken de meesten wel open te staan voor debat. Ik heb weinig problemen met het oplossen van problemen - een van m'n hobby's is programmeren, dat voornamelijk bestaat uit probleemoplossend bezig zijn. Bij veel schoolvakken in de Tweede Fase is het ook een belangrijke vaardigheid, en hoewel ik er niet in uitblink voldoet het ruimschoots om mee te komen.
Ik heb in het verleden wel sociale moeilijkheden op school gehad. Mensen begrijpen me niet. Maar dat ben ik wel gewend.
Emotionele kwetsbaarheid
Kinderen met het Asperger Syndroom zijn intelligent genoeg om mee te komen in het normale onderwijs, maar ze hebben niet de emotionele vindingrijkheid om opgewassen te zijn tegen de eisen van de klas als groep. Omdat deze kinderen weinig flexibel zijn kunnen ze gemakkelijk gespannen raken. Hun zelfrespect is laag, ze hebben vaak veel zelfkritiek en mogen van zichzelf geen fouten maken. Personen met AS, speciaal adolescenten, zijn gevoelig voor depressies (Een hoog percentage van de volwassenen met het Asperger Syndroom heeft last van depressies). Woede uitbarstingen zijn gewoon als reactie op stress/frustratie. Kinderen met Asperger Syndroom lijken zelden ontspannen te zijn en raken gemakkelijk van slag als dingen niet gaan volgens hun starre denkbeelden. Omgaan met mensen en opgewassen zijn tegen de gewone eisen van het dagelijkse leven vereisen steeds een reuzeninspanning.
Mijn ervaringen
Ik vind het vervelend als ik fouten maak. Dat was vroeger erger dan tegenwoordig. In het begin van de middelbare school kon ik er absoluut niet tegen wanneer ik een onvoldoende halen (in de 2e voor het eerst gebeurd), en kon ik ook mijn tranen daarbij niet bedwingen. Dat is later beter gegaan. Ik raak nog wel altijd erg gefrustreerd als ik iets simpels niet begrijp, met name als ik niet zie waarom ik het niet begrijp. Maar ook daarin ben ik vooruit gegaan.
<PARADOX>Ik heb te weinig zelfkritiek</PARADOX>. Ik heb dus wel degelijk zelfkritiek, maar ik ben wel overtuigd van mijn eigen gelijk. Ik begrijp ook niet hoe iemand dat niet zou kunnen zijn. Als je een discussie voert, moet je wel uitgaan van je eigen stelling, als je daar zelf niet van overtuigd bent is het onbegonnen werk om een ander daarvan te overtuigen.
Ik huil snel.
Het omgaan in het dagelijks leven gaat steeds beter. Ik denk dat dat komt doordat zowel ik als mijn omgeving ouder wordt. Het enige wat ik nogal moeilijk vind, is omgaan met streng-gelovigen; wat kan ik zeggen? Wat kwetst mensen? Waarom geloven ze wat ze geloven? Wat bezielt mensen eigenlijk om in een of ander superman-achtig schepsel te geloven?
Paedologisch Instituut
De laatste drie jaar van mijn basisschool heb ik doorgebracht op het Peadologisch Instituut. Dit bestaat uit een school (De Pionier) en een aantal leefgroepen. Later, van oktober 2001 tot juni 2003, ging ik iedere twee á drie weken naar een praatgroep op het PI.
Diagnose
Toen ik zeven was ben ik als Asperger gediagnostiseerd. Ik ging tweewekelijks naar een speelkamer, waar ik allerlei spelletjes mocht doen, zoals darts. Daar was ook een psychologe. Voordat ik de spelletjes mocht gaan doen, moest ik eerst een gesprekje hebben en wat testjes invullen. Daarna mocht ik zelf iets kiezen om te gaan doen. Ik koos altijd met dartpijltjes gooien, totdat ze een keer opmerkte dat ik altijd hetzelfde koos, toen heb ik iets anders gekozen. De psycholoog praatte ook met mijn ouders. Ze heeft op een gegeven moment een Engelstalige, wetenschappelijke tekst aan hen meegegeven, over het "Asperger's Syndrome". Dat was iets "nieuws" uit Amerika - herontdekt door de psychatrie, en er waren nog geen Nederlandstalige teksten over beschikbaar. Voor mijn ouders was dit de schok der herkenning, die zovelen meemaken in hun zoektocht naar een diagnose. Dat heeft er in geresulteerd dat ik als Asperger ben gediagnostiseerd.
De Pionier
Op de school De Pionier wordt rekening gehouden met de afwijkingen die de leerlingen hebben. De meesten hebben een leerachterstand. Verder zijn de klassen klein, werkt iedereen op zijn eigen tempo en is er een apart kamertje bij ieder lokaal waar kinderen even kunnen uitrazen of rustig werken. Dat werken in eigen tempo werkte bij mij niet echt, omdat 90% van de leerlingen een leerachterstand had waardoor ze niet de middelen hadden om mij van onderwijs op niveau te voorzien.
Ik zat op de Pionier toen ik in groep 6, 7 en 8 zat, dus van 1994 tot 1997.
De Groep
Er zijn op het PI twee soorten leefgroepen: daggroepen en 'nachtgroepen', bij die laatste komen de kinderen maar een keer in de twee weken thuis. Ikzelf werd behandeld bij een daggroep. Dit betekende dat ik na schooltijd tot een uur of half zes op de groep was, en in de vakantie was ik daar ook. Alleen één week in de kerstvakantie en drie weken in de zomer niet. Op de groep werd ik behandeld voor mijn problemen. Mijn groep heette Kapitein Haddock. Het zag er ongeveer zo uit.
Mij werden sociale vaardigheden geleerd op manieren die op mij waren afgestemd. Een goed voorbeeld daarvan was de 'je-wilt-iets-zeggen-checklist'. Voordat ik aan tafel iets mocht zeggen, moest ik eerst controleren of het het goede moment was, of het stil was, of het nuttig was, etc. Ook moest ik leren samen spelen. Verder waren er allerlei 'clubjes' met betrekking tot het leren herkennen van emoties, het leren van sociale vaardigheden, en allerlei andere dingen. Ik heb op de groep zeer veel geleerd. Bij het leren van sociale vaardigheden leerde ik bijvoorbeeld hoe je je moet voorstellen. Dan leerde ik eerst uit mijn hoofd wat de volgerde der dingen was: hand uit steken, naam noemen, etc. Aanvankelijk was goed aan mij te zien dat ik het uit het hoofd had geleerd. Naarmate ik het vaker oefende, ging het me natuurlijker af. Op die manier heb ik een aantal sociale vaardigheden geleerd.
In het najaar van 2004 heb ik op dezelfde manier wat complexere vaardigheden geleerd op een sociale vaardigheidstraining bij het bureau studentenpsychologen van de Universteit Twente.
Ik heb erg goede herinneringen aan de groep. Ik denk er vol nostalgie aan terug. Ik vond het erg leuk om samen met Björn en Brendan een bijzonder soort verstoppertje te spelen, die erop neerkwam dat één achterbleef bij een vaste lantaarnpaal terwijl de anderen tegen het uitdrukkelijke verbod van de groepsleiding tot ver buiten het PI-terrein gingen (we hebben later, toen dit boven water kwam, ook wel het normale soort verstoppertje gespeeld).
Een andere zeer goede herinnering is die aan de braamstruiken-hut: tegenover het PI waren braamstruiken waarin we een hut hadden gemaakt. De braamstruiken waren twee meter hoog en om er in te komen moest je ergens onder door kruipen. De hut is nooit ontdekt; een halfjaar voor mijn vertrek is hij gesloopt. Er werd een uitbreiding van het PI gebouwd. Ik vond het hartstikke onrechtvaardig.
Ook goede herinerringen heb ik aan de speelkamer, de nintendo, stratego, de skelter, de zoettrein, de klimbomen, het heitje-voor-een-karweitje, de woordspelletjes, het schaken, het ..., de ......, ..............
Maar ik heb natuurlijk ook slechte herinneringen. Een van de regels van de groep was dat je eerst een boterham met iets hartigs moest eten voor je boterhammen met zoete dingen mocht nemen. Hierbij gold pindakaas als hartig - volslagen idioot. Toen ik dat hardop zei leidde dat tot ruzie met de leiding. Ik ben er nog steeds van overtuigd dat zij gewoon ongelijk hadden.
Ik zat op de groep van 8 mei 1995 tot 24 december 1996.
De Praatgroep
Sinds oktober 2001 ga ik elke 2 à 3 weken weer naar het PI, voor een praatgroep. Wij praten dan als Aspergers die op de middelbare school zitten onderling over onze problemen en wisselen daarbij informatie en ervaringen uit. Dat kan heel leerzaam zijn. Ik ging naar de praatgroep van oktober 2001 tot juni 2003.