De GASB (Grote Avontuurlijk Sportieve Beproeving)

Daar ga ik dan. Naar de Ardennen. Hoe zal het zijn? Zal Hanzala's voorspelling uitkomen, dat ik 'dood' ga? Oftewel, dat ik weggepest word? Ik hoop het niet. Hoe zal het gaan? De busreis, de verkenningstocht, de avondspellen? De barbecue? Daar zie ik tegenop. Maar de grot lijkt me prachtig. De auto komt aan bij de school. Ik doe het portier open. “Kijk uit!” roept m'n moeder verschrikt. Ik gooi het portier weer dicht: er kwam een auto aan. Even later sta ik met m'n bagage naast Sander en Amit. Zij gaan naar Londen.

GASB - dag 1

“Zou je even een stoel naar achteren willen gaan zitten?” “Waarom?” “De vier voorste stoelen zijn gereserveerd voor docenten.” Er zijn drie docenten die meereizen. Hoewel ik niet begrijp waar ze die vierde stoel voor nodig hebben, stem ik ermee in en ga bij het raampje een rij naar achteren zitten. Hoewel ik als een van de laatsten ben ingestapt, zijn de meeste plaatsen voorin de bus nog vrij. Blijkbaar hebben de meeste leerlingen er geen behoefte aan om vooruit door de voorruit te kijken. De vierde stoel wordt door rugzakken bezet.

Buiten staat een aantal ouders. Van sommige kinderen zelfs twee of drie: die derde is waarschijnlijk een broer of vriend. De bus vertrekt om half negen, precies op tijd, drie kwartier na de paspoortcontrole. De andere bus, die de andere groep naar Londen moet vervoeren, had een kwartier geleden al moeten vertrekken maar is er nog niet. Vrolijk zwaaien we de Londen-reizigers uit. We zijn op weg. Vanuit de bocht waarmee de bus de Gaasperdammerweg oprijden werp ik nog een laatste blik op het schoolgebouw. In de meeste lokalen is de les al begonnen.

Dat ik bijna voorin zit blijkt nog een voordeel te hebben. Ik kan de film goed zien en horen. Hoewel de buschauffeur, die zich als Ida heeft voorgesteld, twintig films in de bus heeft liggen, vind de jongen achter me het toch nodig z'n eigen film naar voren te brengen. The Planet of the Apes. Blijkbaar heeft de jongen een dvd-to-video-recorder, want de enige plek waar deze film te krijgen is is op illegale websites. Het kan Ida niets schelen.

Het verhaal van de film is volstrekt belachelijk. Een man reist door een soort tijdmachine waardoor hij in de toekomst terecht komt. Hij merkt dat de chimpansees de heersers zijn en de mensen de slaven. Hij probeert voor een machtsovername te zorgen waardoor de mensen weer de heersers worden. Als ik deze film thuis op de bank zou zien, zou ik weglopen in het eerste reclameblokje. Maar in de bus biedt het toch wat afleiding: het is interessanter dan andere auto's. Voor de tweede film, over een stel engelen die allemaal moordenaars afmaken, geldt zelfs dat niet meer. Ik kijk liever naar de Ourthe. Op die rivier ga ik overmorgen vlotvaren.

“Heb jij zelfs je eigen kaart meegenomen?” “Ja, m'n ouders zijn hier twintig jaar geleden geweest. Hij komt uit 1973.” “Dat zal niet zoveel uitmaken. Hiermee kom je er wel, maar je kunt toch beter onze kaart gebruiken.” “Wat voor schaal is dat dan?” Het blijkt en 25'er te zijn. De leiding stelt nog enkele vragen: “Waar op de kaart is het noorden?” “Waar wijst het rode kompaspijltje heen?” en “hoeveel centimeter komt overeen met een kilometer?” Ook zonder dat ik over de magneetnaaldafwijking begin word ik als expert gekwalificeerd.

“Gerrit,” vraagt één van de jongens waarmee ik in een team zit, “heb jij wel eens fun?” “Hoe bedoel je?” “Wat doe jij op vrijdagavond?” “Van alles. Soms lees ik, soms speel ik een computerspelletje, soms kijk ik t.v...” “Wat voor programma's dan? Ga je nooit uit?” “Ik kijk naar het nieuws, documentaires... nee, ik ga nooit uit.” Ons team is als laatste vertrokken. En mijn teamgenoten lopen ongelofelijk traag. Bij elke etalage staan ze stil. Bij de benzinepomp gaan ze oh'en en ah'en over de lage benzineprijzen. En bij een slager vragen ze mij of ik een worst wil, wetende dat ik vegetariër ben. Wanneer één van de grootste jongens de kaart afpakt, is de maat voor mij vol. Ik ga wat harder lopen en sluit me aan bij het groepje van Jantine.

Hier wordt het wel op prijs gesteld dat ik kan kaartlezen. We lopen naar La Boverie, waar we als eerste groep aankomen. Gelukkig wordt er Nederlands gesproken bij de receptie. “Bungalow 79” worden we verwezen als we naar P.B.N. vragen. Daar gaan we uit elkaar en krijg ik een doos mee om mee naar bungalow 89 te lopen. Pindakaas, drie liter melk, sinasappelsap... Omdat er drie kamers zijn besluit ik op Geert, Hakan en Mustafa te wachten voor ik besluit welke kamer ik neem.

Thuis aangekomen ploft Geert met z'n spullen meteen op het tweepersoons bed. “Zou je niet eerst even overleggen met Hakan, Mustafa en mij?” “Nee. Hakan en Mustafa zijn goede vrienden, die willen toch wel in het stapelbed.” “En ik dan? Misschien wil ik ook wel in het tweepersoons bed.” “Nee, ik was eerder.” Even later zet Geert MTV aan. “Geert, alsjeblieft geen MTV. Mag het uit?” “Nee.” “Kunnen we dan niet iets afspreken, omstebeurt een half uur ofzo?” “Nee. Mijn mening telt toch zwaarder.” Het is dat ik geen ruzie wil.

Barbeque, oftewel: barbecue. Er zijn vegaburgers voor vegetariërs, maar die lus ik niet. Ik eet brood en praat met Hakan en Mustafa. Mustafa: “Wat vind jij van die aanvallen? Vind jij het zielig of goed voor Amerika?” Ik: “Ik vind het goed voor de staat Amerika maar zielig voor de slachtoffers en hun nabestaanden. Waar komen jullie (oorspronkelijk) vandaan?” Hakan komt uit Marokko en Mustafa uit Turkije.

's Avonds doen we nog een sterrenloop. De leiding denkt dat je als je eerst X stappen richting 30 graden doet en dat Y stappen in de richting 60 graden, dat dat neerkomt op X+Y stappen in de richting 90 graden. Sukkels.

GASB - dag 2

“Ik zou maar wakker worden als ik jou was.” “Hmmmm... hoe laat is het...?” “Half acht.” Hoewel het me nogal vroeg lijkt, besluit ik toch maar het advies van Mustafa op te volgen. Ik kleed me aan, traag, ik bedoel rustig. Tien minuten later ben ik klaar en zet ik de tv aan op Tekst TV. Tweede dag van bombardementen op Afghanistan. Taliban zegt dat er burgerslachtoffers zijn gevallen. Geen ècht nieuws dus. Dat zou 's avonds pas komen.

Om tien over acht sta ik braaf klaar om het brood op te halen. Afgesproken is dat het om kwart over acht komt. Maar om vijf voor half acht is er nog niets. Dan maar een manderijntje, één per persoon. Ik lus ze niet, misschien wil iemand anders er twee. “Hè he, eindelijk eten,” zegt Geert als ik binnenkom. “Nee hoor. Het is te laat. Ik kan er ook niks aan doen.” Ik doe de deur weer dicht en vertrek. Pas om tien minuten over half negen komt er een PBN-busje aan. Veel te laat. Geen van ons vieren lust manderijntjes. Misschien willen de buren ze hebben.

Op twee van de drie docenten na is iedereen op tijd voor vertrek. We gaan met de bus naar de PBN-rots. Daar krijgen we te horen dat we ons in drie groepen onderverdelen, voor de drie activiteiten die we omstebeurt doen. Ik ga eerst boogschieten, daarna de grot in, om tenslotte nog eens te gaan mountainbiken - maar dat komt straks wel. Eerst maar eens boogschieten.

Boogschieten is net als kanoën. Dat wil zeggen: ik heb het nog nooit gedaan, behalve een keer in het Archeon. Alleen met namaak-prehistorisch materiaal dus. Bovendien is het vele jaren geleden. “Je moet de boog vasthouden met déze kant boven, en dus niet ondersteboven of achterstevoren.” Een aantal mensen begint te lachen. “Ja, ik heb serieus wel eens kinderen gehad die hem zó vasthielden,” zegt hij. Ik zie niet wat er verkeerd is. Als ik aan de beurt ben kost het me even tijd om te zien hoe het nou precies moet. De leiding moet me te hulp komen. Ik schaam me rot. Nee, toch niet. Ik probeer het gewoon. Drie pijlen krijg ik. Slechts één gaat in het bord, de andere twee gaan ernaast. Bij m'n tweede poging komen ze er alledrie in. Uiteindelijk worden alle punten opgeteld. Ik ben veruit het slechtst.

Maar dan komt de grot. Ongeduldig wacht ik tot de vorige groep eruit komt. De mountainbikers zijn al terug. Ik ga bij de ingang staan: ja, ik hoor stemmen! Even later kruipt Yun-Hi eruit. Haar groene pak is helemaal bruin. Langzaam druppelt ook de rest naar buiten. Ik heb me maar vast omgekleed. Mijn pak is al bruin. Ik wil zo snel mogelijk naar binnen. Het lijkt me echt geweldig. Ongeduldig luister ik naar de saaie, maar o zo belangrijke instructies. “Help degene die achter je staat, geef duidelijk aan waar je heen moet, vraag om hulp als iets niet lukt, ...” M'n gedachten dwalen af. Naar straks. Straks, in de grot. Hoe zal het zijn? Zal ik rechtop kunnen staan? Zal er veel water zijn? Zal het erg smal zijn? Veel stalagmieten? Tot m'n grote ergernis slaag ik er niet in als een van de eerste naar binnen te gaan. Ik ga zelfs als een van de laatsten. Maar dan ben ik er. Hoofdlamp aan. “Zet hier je voeten neer. Nee, iets dichter bij de muur, ja hier, ik heb hem, hier is een ijzeren stang. Pak je vast aan dit touw en laat je zakken...” Touw? Laten zakken? Jezus. Nu snap ik het verhaal dat ik gehoord heb, over iemand die drie meter naar beneden is gevallen. Ik kan nog ter... Nee, belachelijk. Het is hartstikke leuk. We worden natuurlijk gewoon geholpen, en als we eenmaal beneden zijn kunnen we gewoon lopen. Wanneer het mijn beurt is om naar beneden te gaan, voel ik me heel stom. Onhandig. Traag. Maar ik word inderdaad geholpen en kom beneden. Maar het idee dat ik daar gewoon zou kunnen lopen moet ik onmiddelijk verwerpen. Ik moet een smalle spleet door. “Zet daar je voet neer,” zegt Derk terwijl hij met z'n hoofdlamp op een bepaalde plek wijst. We moeten omhoog klimmen. Dan weer naar rechts. Weer naar beneden. Voorover. Achterover. Zijwaarts. Dan komt er een plek waar we kunnen uitrusten. Best wel buiten adem raak ik hier. Ik kijk op m'n horloge. “Hè?” roep ik uit, “Zijn we al een half uur in de grot?” “Ja hoor. Snel gaat de tijd hè?” zegt Rosalie, de PBN'er die is meegegaan. Na vijf minuten gaan we weer verder. Op dezelfde manier. De tijd vliegt. De hindernissen worden steeds moeilijker. Op je buik voorover optrekken, op de open plek draaien, en op je rug achterover verder. Wow. Even later hoor ik iemand roepen dat hij daar ècht niet zonder nat te worden overheen komt. En inderdaad hoor ik even later een plons. “Shit, wat is het diep!” Ik zie dat een jongen uit de HAVO tot z'n middel in het water staat. Dat moet mij dus niet overkomen. Eerst moet ik me aan een pilaar - pardon, stalagmiet - vastgrijpen om er langs te kunnen draaien. Dan moet ik een grote sprong maken. Ojee. Hoe moet ik dat nu doen? Ik wil niet vallen. Gelukkig word ik geholpen door een jongen uit een andere klas. “Je moet je laten vallen zodat je dààr je handen neer kunt zetten,” zegt ie. Uiteindelijk durf ik het toch: ik moet wel. Het lukt. Ik sta nu met twee voeten aan de ene kant van de gang en met twee handen tegen de muur geleund aan de andere kant van de gang. En onder me water van meer dan een meter diep. Ik weet m'n linkerhand vrij te maken zonder dat ik m'n evenwicht verlies. De jongen reikt z'n hand uit. Ik pak z'n hand. Nu komt de sprong. Eerst m'n linkervoet. Oei... Het lukt niet. Ik zal met m'n rechtervoet moeten afzetten om met m'n linkervoet bij de overkant te komen. Een, twee....... Het duurt even tot ik doorheb dat het gelukt is. Wat een adrenaline. Dit hoef ik voorlopig niet nog een keer te doen zeg. Even later zie ik het laddertje waarlangs ik naar beneden ben gekomen alweer. Het kost nog best wel kracht om daarlangs naar boven te komen. Daglicht! Ik ben er! Moeizaam werk ik me naar buiten. Ik loop naar beneden. Ja. Ik ga zitten. In de zon. Stralend blauwe lucht. Ik ben er.

Pff... En dan fietsen. Ik krijg een fiets aangerijkt met een zwarte stip. De op-één-na-kleinste maat. Ik probeer een stukje te fietsen. De stenen op het PBN-terrein zijn veel te groot, hier fietsen lukt me niet. Wanneer we vertrekken verlaten we het terrein gelukkig al gauw, en dan gaat het verder goed. Over jeepwegen, asfaltwegen, omhoog en omlaag. Maar ook over kleine paadjes. Af en toe gaan we voor uitleg stilstaan.

“Het volgende stuk is heel modderig. Als je nou plassen ziet, dan moet je door de plassen rijden.” M'n gedachten dwalen af. Wat een gelul. Ik zeg het maar niet hardop. “Nou was er bij de vorige groep iemand die dacht: wat een gelul. Echt, serieus, niet lachen. Die was er. Die jongen ging dus toen vlak langs een plas rijden, maar daar is het juist gladder, dus die viel dus. Dus je moet dus dóór de plassen rijden, niet vergeten!” Ik vergeet het niet. Maar op m'n fiets blijven zitten lukt niet. Eerst valt het nog wel mee. Omhoog over een bospaadje. Dan komt er een open plek. Een jeepweg; ik neem het linkerspoor. Bij het rechter zie ik een plas. Met moeite bewaar ik m'n evenwicht. Ik ga heel langzaam. Ik zit in een hele kleine versnelling. Even later kom ik bij een grote plas. Ik heb geleerd er doorheen te rijden. Wat nou als hij diep is? Ik rijd erdoorheen. Ik val niet maar word wel nat. Naja, ik heb toch net 'gegrot'. Na ongeveer een kwartier bereiken we, na een klein stukje veel te steil naar beneden, de asfaltweg. Dan nu de afdaling. Over asfalt. “Terug! Terug!” wordt er geroepen. Ik ben halverwege de afdaling en keer om. We zijn verkeerd gereden. Grmbl. Tot twee keer toe krijgt iemand een lekke band. We zitten te wachten. Er wordt gerookt. Wat saai zeg. We zitten de helft van de tijd stil.

Geef mij maar de Gotthard-pas. Dat fietst zo heerlijk. De auto's gaan toch wel door de tunnel.

“Crevettes, is dat vegetarisch?” “Pardon?” “Vegetarisch, zonder vlees, zonder vis?” “Oui oui, zonder vlees zonder vis.” Ik zit samen met Karel en Betty aan een tafel in een pizzeria. We doen een raadspelletje. Ik heb iets in m'n hoofd. Ze moeten vragen stellen, ja-nee vragen. Ze raden het niet. Ze slagen er niet in de raden dat ik achtereenvolgens 'nessie', 'niets' en 'stopcontact' in m'n hoofd heb. Een tijdje later krijg ik m'n eten. Het smaakt vreemd. “Karel,” zeg ik, “kun jij eens helpen? Is dit wel vegetarisch?” “Ik weet niet,” zegt hij aarzelend. Iemand van de leiding loopt langs. Wanneer ik hem laat proeven komt hij tot de conclusie dat het niet vegetarisch is. We halen de serveerster erbij. “Ik dacht dat u dat wel wist, dat crevettes garnalen zijn. En het is zonder vlees en zonder vis.” “Ja, maar niet vegetarisch! Nu moet ik iets anders uitzoeken!” Veel later, een kwartier voor we vertrekken, krijg ik mijn spaghetti met strooikaas. Best te eten, maar mijn vooroordelen tegen provencialen zijn weer eens met stip bevestigd.

GASB - dag 3

Om acht uur word ik wakker.

Het gezelschap valt tot nu toe mee. Normaliter kan ik zeer slecht opschieten met Geert, maar nu gaat het redelijk. Of het aan mij ligt of aan hem weet ik niet, maar de doemscenario's die ik - en niet alleen ik - had bedacht, zijn verre van uitgekomen. Anderzijds merk ik dat ik juist met Hakan en Mustafa minder goed kan opschieten.

Vandaag gaan we abseilen, klimmen, tokkelen, vlotbouwen, vlotvaren, een kookwedstrijd houden en een feest vieren. Vooral tegen dat laatste zie ik heel erg op. Dat kan nooit goed gaan.

Doordat de deur van de bus precies tussen mij en de bungalow staat, als ik op de tweede rij van voren zit, vindt er een zeer interessant optische verschijnsel plaats. Hoewel zowel het raam als de deur van glas zijn, kan ik er niet doorheen kijken. Het lijkt of alles weerkaatst wordt. Ik heb het gisteren ook al gezien. Zeer interessant.

Dan abseilen. Ik heb het één keer gedaan, maar dat was twee en een halve meter naar beneden. Eigenlijk heb ik het dus nog nooit gedaan. We klimmen eerst naar boven. Daar aangekomen kijk ik even over de rand (er staat een hek). Jezus. Wat is dat diep zeg. “Hoe hoog is het ongeveer,” vraag ik. “Ik denk een meter of 15,” is het antwoord. “Oei, dan moet je dus niet vallen.” “Je zit stevig vast hoor, het is veilig.” “Tuurlijk.”

Als één van de laatsten ga ik naar beneden. Zoals voorspeld, is de eerste stap vlak over de rand veruit het engste. Maar eigenlijk is het helemaal geen stap over de rand. Ik loop achteruit tot ik bij de rand ben. En dan kijk ik onder m'n benen door. Woeps. Ik krijg instructies. Ik moet m'n benen gestrekt houden. “Dat ga je vergeten, wedden?” Zegt de vrij jonge leiding voor de zoveelste keer. Eerst maar eens met een hoek van ongeveer vijfenveertig graden achterover leunen. Dat is al eng genoeg. Ik heb het gevoel ieder moment achterover te kunnen vallen. Tegen beter weten in, natuurlijk. Het gaat langzaam. Maar dan sta ik hoe ik moet staan. Nu moet ik een stap naar beneden doen. De eerste stappen gaan over het hout, met een overhang zelfs. Ik haal m'n voet van het hout. Onmiddelijk zwieber ik naar rechts. Ik tast met m'n voet naar beneden. “Ja, ga maar, iets verder naar beneden, ja. Andere voet ook, ja, goed zo. En nu de volgende stap. En je benen! Hou ze gestrekt! Ik ga de volgende helpen.” M'n rechterhand heb ik aan het touw. Ik laat het een beetje los. Meteen ga ik naar beneden, dus ik heb het weer vast. Ik laat het een beetje vieren. Nu sta ik op een plateau. Ik zet me af naar achteren. Opeens merk ik dat ik aan het draaien ben. Ik kijk de verkeerde kant op. Ik word duizelig. Onder m'n voeten is de afgrond. Ik probeer uit alle macht weer met m'n gezicht naar de rots te komen. Het lukt. Phew. Verder naar beneden dan maar. Beetje los... en weer vast. Beetje los... en weer vast. Heel langzaam ga ik naar beneden. En dan sta ik op de grond.

Ik haal de spullen los, en van het touw. Ik wil m'n helm en m'n gordel afdoen, maar Herman Kruizinga zegt me dat ik het straks bij het klimmen, en ook bij het tokkelen, weer nodig heb. OK, dan houd ik het op.

De klimmuur is een combinatie van een natuurwand en een kunstwand. Dat wil zeggen: het is een natuurlijke rots, maar om het wat makkelijker te maken zijn er van die knoppen met verschillende kleuren in gedaan. Eerst krijgen we uitgebreid instructies over het zekeren. Vier of vijf stappen, met je linkerhand hier en je rechterhand daar en je linkerhand zus en je rechterhand zo. Het is allemaal wat te veel om zo 1-2-3 te onthouden. Ik begin met klimmen, dan hoef ik niet te zekeren. Herman Kruizinga des te meer.

Alleen de meest linker rots was nog over. De moeilijkste. Ik zal het maar proberen. De eerste meters zijn niet moeilijk. Jezelf optrekken is wel zwaar maar je weet dat je veilig bent. Pas hoger komt het obstakel waar ik niet voorbij kom. Ben ik te klein? Of ben ik te onhandig? Ik houd het op het laatste. Maar ik ga weer naar beneden.

Het zekeren gaat prima, althans omhoog. Bij het abseilen van de T.O.A. ben ik even vergeten dat ik de rem los moet laten: een paar meter schiet Kruizinga naar beneden. Dan bedenk ik plotseling wat ik moet doen, en komt hij weer tot stilstand. Het laatste stuk gaat goed. Gelukkig vond hij het niet zo erg.

Dan komt het engste van de hele werkweek. Tokkelen. Het komt erop neer dat je de afgrond in moet springen terwijl je met een weird mechanisme aan een touw hangt. Velen hebben voor mij de sprong gemaakt. Sommigen hebben het zelfs overleefd. Een enkeling vond het leuk (maar dat zegt heel weinig, er zijn ook mensen die C.K.V. een leuk vak vinden - ik noem geen namen). Maar nu moet ik.

Ik haal m'n handen door een soort touwtje en moet ze twee keer draaien. Om m'n gordel krijg ik nog een extra veiligheid, 'voor het geval ik zo stom ben het touw los te laten'. Maar nu moet ik springen. De diepte in. Ik ga op de rand van de vlonder staan. Beneden steekt iemand die mij af moet remmen z'n arm omhoog. “Ja, ga maar!” Zegt het enige vrouwelijke deel van de leiding, Rosalie. Ze heeft makkelijk praten. Maar ik ga. Ik spring niet, ik laat me vallen. In de instinctieve hoop dat m'n val geremd wordt door die takken, twee meter onder me. Maar ik ga ver over de takken heen. Ik hang nu tien meter boven de grond. Holy shit, wat eng. Ik schreeuw het uit. Geen van m'n voorgangers heeft dat gedaan, maar ik houd het niet. Ik wil terug. Maar ik heb niets meer te willen. Steeds sneller ga ik, steeds sneller val ik. Wat zou m'n valversnelling zijn als je de wrijving met het touw meerekent? Dat touw wordt hartstikke warm, hoe weet ik dat het veilig is? Dan voel ik ineens een klap. Ik ben afgeremd. Ik schiet naar voren met m'n lichaam, maar even later voel ik iets onder m'n voeten. Ik sta op de grond. Dat was eens. Maar nooit weer.

And now, for something completely different.

“Ik denk dat het niet handig is om de vijfde band er bovenop te leggen.” “Wat doen we dan met de vijfde band?” “Die kunnen we maar beter niet gebruiken. Een structuur met driehoeken is het stevigst, maar als we dat met vijf banden proberen wordt het vlot te asymmetrisch.” Na nog een paar minuten discussiëren krijg ik m'n zin. We maken een vlot van twee driehoeken. Met touw erdoor natuurlijk. We gebruiken wel alle planken.

De bouw gaat prima. Ik doe niet helemaal zoveel als ik zou willen, maar dat wordt nog erger bij het varen.

We hebben vier banden. We hebben vier peddels. Maar we zijn met z'n vijfen. Er moet dus een iemand in het midden. Hoe het ooit zover heeft kunnen komen weet ik niet, maar op de een of andere manier ben ik degene die in het midden komt te zitten. Nou ja. Zo erg vind ik het nu ook weer niet. Ik moet instructies geven. Ik ben de enige jongen. Eigenlijk zou ik spierkracht moeten hebben om te peddelen, maar die heb ik niet. Naja.

We liggen als derde in het water. Al gauw halen we de twee andere teams in. Een stel Havo-jongens met een debiele constructie, en de docenten, die met z'n drieën vier banden gebruikt hebben, een driehoek met een kleine band erbovenop. We liggen nu voor, er wordt hard gepeddeld. Al gauw komen we bij de voorspelde stroomversnelling. De instructie is dat we er langs de rand doormoeten. Dat doen we. We worden met wat spetters nat, maar dat geeft niet. Het moeilijkste moet nog komen. De anderen zijn al zo ver achter dat ze uit het zicht verdwenen zijn, als we bij het grasveld aankomen. Maar voor we ons vlot erop mogen slepen en onszelf als winnaars mogen verklaren, moeten we eerst een rondje om de fontein varen. Er langs aan de ene kant gaat makkelijk, maar terug? Uit alle macht wordt er gepeddeld. Maar harder dan een snelheid van 0 gaat het niet. Ik besef dat ik nú iets nuttigs kan doen. Zonder dat ik nog heel diep nadenk bij wat ik doe, spring ik in het water. Ik duw het vlot langs de fontein. Het gaat makkelijk. Nu nog op het vlot springen heeft weinig zin, dus ik duw het verder tot waar de de rand op gaan. Daar staat de leiding ons al op te wachten. We zijn een minuut sneller dan het winnende team van vanmorgen. We zijn allemaal stomverbaasd.

Hakan en Mustafa verlaten de bungalow. “Waar gaan jullie heen?” “Wij gaan bij de buren koken.” “Ee, het is met z'n vieren al veel te moelijk!” “Dikke pech voor jou.” “Laat ze maar, ik kook wel. Was jij dan af?” zegt Geert. Ik ben allang blij daarmee. Ik vind het zeker goed. Het eten mislukt en is niet te eten. Dan maar een Liga Milkbreak. Aan de kookwedstrijd doen we niet mee.

Om half tien moeten we bij de receptie zijn voor een 'avondspel'. Ik heb besloten het erop te wagen. We worden naar binnen geroepen. Ik zit op een kruk die automatisch terugdraait. Als ik hem precies 180 graden draai blijft hij in evenwicht. Let the hell begin...

“OK, doe allemaal één schoen uit en gooi hem op een hoop.” Tot mijn verbazing reageert iedereen. Ik zie in dat er niet aan te ontkomen valt. Vooral omdat er ook nog gedreigd is dat de leiding hem zelf uit komt trekken als je niet gehoorzaamt. Ik begin rustig m'n veters los te doen en leg m'n schoen op de hoop. “OK, pak je schoen maar weer.” Waar was dat in godsnaam voor nodig? En waarom staat die muziek zo hard? En wat is dat voor belachelijke tekst? Laat de limonade nu maar knallen... wat valt er te knallen aan limonade? Nu ben jij, degeen, die een feestje geeft... Wat valt er in godsnaam te vieren dan? Dat de werkweek bijna afgelopen is? ik vond het anders best leuk. Tot nu toe. En binnenkort nodigen wij je uit... Wie nodigen mij uit? Waarvoor? Waar? Wanneer? Waarom? Hoezo? Ik snap er niets van.

“OK, ga allemaal maar weer zitten. We gaan de Belgische stoelendans doen,” Waarom blijft die sukkel 'okee' zeggen? Kan hij z'n zin niet op een andere manier beginnen? “OK, Jullie kennen allemaal wel de gewone, Hollandse stoelendans, maar bij de Belgische stoelensdans noem ik een voorwerp. We verdelen iedereen in drie teams, en als ik iets noem dan heeft het team dat als eerste een voorwerp naar voren brengt gewonnen.” De muziek wordt zomogelijk nog harder gezet. Met nog meer idiote liedjes. Wat is het hier verschrikkelijk vol. Hoe zou het met de brandveiligheid zijn? Wat zou er gebeuren als die versiering naar beneden komt vallen? “OK, Leeg pakje sigaretten!” Wat is dat nu weer voor idioot voorwerp. In feite wordt hiermee iets vreselijks als roken bevorderd. Het lijkt wel stoer om te roken. Er komt iemand naar voren met een leeg pakje in z'n hand. In z'n andere hand heeft hij de sigaretten. Even later: “OK, T-shirt!” Jezus. Kan het nog idioter?

Het kan nog idioter. “OK, Bij het volgende spel, gaat het erom wie het beste kan BOEREN. Ik heb hier drie flesjes cola, die moet je in één teug leegdrinken, en...” M'n gedachten dwalen af. Ik kijk aandachtig naar de vissenkom. Die is absoluut heel wat interessanter dan deze, ehm, 'fun'. Het spel is begonnen. “IS DIT NU WAT JULLIE FUN NOEMEN?” Schreeuw ik in het oor van Simon, die naast me zit. “JA! COOL HE?” Ik kan m'n tranen niet meer bedwingen. Ik heb het gevoel dat ik buiten bewustzijn raak. Ik hoor half/half dat het pauze is. Dat we naar buiten mogen, maar niet van het terras af. Alles zet ik op alles om daar maar vanaf te komen. Als een dief in de nacht sluip ik weg, door het donker. Vijf stappen omhoog naar de tennisbaan. Daar is het te licht. Langs het hek van de tennisbaan ren ik naar het bankje. Daar ga ik op m'n rug liggen. Met m'n gezicht naar de sterren. Half-half verwacht ik teruggeroepen te worden. Teruggesleept, naar de ultieme straf. Terug naar het heropvoedingskamp. Terug naar de hel.

Maar niemand komt. De pauze is afgelopen. De muziek wordt weer harder gezet. Ik kijk naar de sterren. In Diemen zie ik nooit sterren. Ik zie het verschil toch niet tussen de Poolster en de Grote Beer. Maar dat wil niet zeggen dat ik niet kan wegfantaseren. Ik fantaseer over sterren. Exoplaneten. Supernova's. De Big Bang. Zwarte Gaten. Ik sta op. Ik sluip verder langs het tennisveld. Daar gaat het naar beneden, naar de parkeerplaats. Vanaf de parkeerplaats kun je over het grasveld naar de bungalow. Die zal wel op slot zitten. Eerst maar eens daarheen sluipen. Ik weet dat de kans groot is dat ik hiervoor gestraft wordt. Maar ik veeg duizendmaal liever het bungalowpark met een tandenborstel, dan dat ik hier nog langer moet blijven. Ik sluip verder. Ik kom aan bij nummer 89. Inderdaad zit deze bungalow op slot. Dan maar achterom. Ik klim omhoog langs de regenpijp. Ik slaag erin het balkon te bereiken. Gelukkig zit die deur niet op slot. Ik duw de deur open en stap naar binnen. Een paniekerige twijfel maakt zich van mij meester: is dit wel onze bungalow? Ik probeer met m'n linkerhand te voelen. Nee, hier zit natuurlijk geen lichtknopje. Wel iets dat heel goed m'n slaapzak zou kunnen zijn. Ik loop verder, op de tast, langs de muur. Ik kom aan bij de voordeur. Ik druk op het lichtknopje. Het is onze bungalow. Ik kleed me uit, plof in m'n slaapzak, en ik slaap. Ik ben ontsnapt.

Iemand morrelt aan m'n been. “Laat hem slapen dan!” roept iemand anders. Ik slaap door.

GASB - dag 4

“Hoe laat waren jullie thuis gisteravond?” “Ik om half vier, Hakan en Mustafa pas tegen vijfen.” antwoordt Geert. Het is dus maar goed dat ik geen gehoor heb gegeven.

Ik verwacht veel reacties. Maar de binnenkomende, wekkende leiding zegt niets. Hakan, Mustafa en Geert zeggen niets. Ik heb m'n spullen ingepakt. Hakan en Mustafa slapen trouwens nog. We laten de rest van het werk aan hen over. De bungalow moet immers opgeruimt worden.

De bus vertrekt. We gaan kanovaren. Het kan nooit al te moeilijk zijn. Het lijkt me wel leuk. Ik heb één keer eerder kanogevaren, op de Vecht. Maar dit is misschien wel wat anders. Na de instructies aangehoord te hebben ga ik in mijn kano zitten. Ik word het water in geduwd, en lig in het water.

Ik probeer m'n cape wat beter te doen. Meteen schiet hij los. Ik slaag er weer in om hem vast te krijgen. Ik zie de leiding vertrekken: blijkbaar moet ik achter hen aan. In het begin gaat het redelijk. Ik slaag er in om bij te blijven. Maar al gauw beginnen de problemen.

Ik lig nu dwars op het water. Ik moet een bocht maken door te peddelen, heeft Rosalie bij vertelt. Dat snap ik ook wel. Ik maak een wijde bocht met m'n peddel. Gelukkig, ik draai weer goed. Dan lig ik over de lengte van het water. Nu wil ik weer 'gas geven', maar nog voordat ik m'n peddel goed en wel in het water heb, ben ik verder gedraaid. 180 graden nu dus. Ik probeer weer terug te draaien. Weer draai ik te ver. “Meer kracht zetten,” is het devies. Ik doe het. Met een paar krachtige slagen probeer ik vooruit te komen, en inderdaad, ik lig in de lengte van het water. En ga vooruit. Maar na een paar slagen ben ik buiten adem. Ik lig nu toch wel in de lengte, dat zal ik als ik even uitrust vast wel blijven. Maar al gauw draai ik weer rondjes. En ik ga recht op de berm af. Ik probeer te voorkomen dat ik met grote snelheid in de berm bots. Het lukt niet. Ik beland in de berm. Ik kom even op adem, realiseer me dan dat ik me af moet zetten en weer verder moet gaan. Verder rechtdoor. Als ik me gewoon af laat zakken, wat dan? Nee, ik moet doorvaren. De docenten zeggen het. De leiding zegt het. Ben ik onhandig? Of ben ik te slap? Feit is dat ik op een gegeven moment bij de berm een heleboel mensen zie. We zijn verplicht ons daar te verzamelen. We moeten één voor één door de stroomversnelling? Stroomversnelling? Ja, stroomversnelling. Als een van de laatste ga ik. Ik peddel uit alle macht. Ik moet er rechtuit door, anders kieper ik. Even later merk ik dat het gelukt is. Hoe is het mogelijk. Even uitrusten. Algauw kom ik weer dwars op het water te liggen. Ik slaag er eventjes in om weer rechtuit te gaan. Dan komt er een brug. Ik probeer weg van het midden te sturen. Het lukt me niet. Met volle snelheid knal ik tegen het beton op. Vast niet goed voor de kano. Ik zet me af en ga erlangs. Weer draai ik. Ik probeer weer recht te komen. Ik draai twee rondjes. Ik lift even mee met iemand anders. Dat is echt asociaal dus ik moet weer alleen. Door m'n stuurloosheid bots ik tegen een boom op. Ik heb een helm. Hoe ver is het nog? Er komt geen eind aan. Weer draai ik. Nog een draai. En weer een. En weer. Verdomme. Daar schraap ik over een steen. Ik kieper bijna. Daar weer een kleine stroomversnelling. Ik geef het op om er rechtuit door te gaan. Stuurloos ga ik er zijwaarts door. En weer draai ik. Ik ga nu achteruit, maar algauw weer zijwaarts. Ik probeer weer rechtuit te gaan. Ik draai weer 180 graden dus ga weer zijwaarts. En weer. En weer. In een laatste poging rechtuit te gaan, draai ik 360 graden. Wat een waanzin. Ik ga achterover liggen, maar word al gauw weer opgeroepen dat ik moet varen. Ik geef gehoor. Ik draai. En ik draai. Weer een boomtak. Weer een berm. Weer een steen. Ik draai. Weer een stroomversnelling. Ik draai. Weer een brug. Ik draai. Ik draai. Ik draai. Weer een boomtak. En ik draai. En ik draai door. En weer een steen. En weer. En weer. En ik draai.